Wat hieronder volgt, is een gedeelte uit de preek van Justus Bulaeus (1580-1611) over Mattheüs 8:1-13. Bulaeus benadrukt daarin de rol van het geloof van de Romeinse hoofdman bij de genezing van zijn knecht.
Ten slotte richt Jezus zich rechtstreeks tot de hoofdman en zegt dat Hij zijn gebed verhoort: ‘Ga heen, en het zal u gaan zoals u geloofd hebt.’ Hiermee bewijst Christus dat Hij inderdaad is wie de hoofdman dacht dat Hij is: de ware Zoon van God, die de macht heeft over ziekte en zelfs over de dood. We moeten er daarbij goed op letten dat Christus deze kracht en vrucht toeschrijft aan het geloof, want Hij zegt: ‘Zoals u geloofd hebt.’
Wij moeten daarvan leren dat God Zijn genade en weldaden alleen uitstort waar Hij een oprecht en vast geloof vindt. Daarom zegt Jezus terecht: ‘Alles wat u in het gebed vraagt, in geloof, zult u ontvangen’ (Mattheüs 21:22).
Ons ongeloof knijpt Gods hand dicht. Natuurlijk is Zijn kracht niet van ons geloof afhankelijk.
Augustinus vergelijkt het geloof met de opening in een [wijn]vat, maar het ongeloof vergelijkt hij met de houten stop waarmee je dat gat kunt afsluiten, zodat je er niets in kunt gieten. Daarom lezen we in Jakobus 1:5-6: ‘Als iemand van u in wijsheid tekortschiet, laat hij die dan vragen aan God, Die aan ieder overvloedig geeft en geen verwijten maakt, en ze zal hem gegeven worden. Maar laat hij er in geloof om vragen en daarbij niet twijfelen.’ Daartegenover stelt hij dat wie twijfelt, niet moet denken dat hij iets ontvangen zal van de Heere (Jakobus 1:7). We lezen ook dat Christus in Zijn vaderstad niet veel krachten kon doen vanwege hun ongeloof (Mattheüs 13:58).
Ons ongeloof knijpt Gods hand dicht. Natuurlijk is Zijn kracht niet van ons geloof afhankelijk. Paulus schrijft: ‘Want wat is het geval? Als sommigen ontrouw [ongelovig!] zijn geweest, zal hun ontrouw [ongeloof!] de trouw van God toch niet tenietdoen? Volstrekt niet!’ (Romeinen 3:3-4). Maar het heeft God behaagt dat wij Zijn weldaden door de hand van het geloof in ontvangst zullen nemen.
Daarmee hebben we de oorzaak helder waardoor het met ons vaak net zo gaat als met de discipelen van Christus. Toen ze Hem vroegen waarom zij [bij de maanzieke jongen] de onreine geest niet konden uitdrijven, kregen ze als antwoord: ‘Vanwege uw ongeloof’ (Mattheüs 17:19-20). Zo kunnen ook wij onszelf vaak afvragen: ‘Waarom krijgen we niet dat waarom we bidden? Waarom onthoudt God ons Zijn zegen?’ Dat is dus de schuld van ons ongeloof.
Maar omdat het geloof een gave van God is, moeten we Hem bidden om groei ervan. Bid dan: ‘Ik geloof, Heere! Kom mijn ongeloof te hulp’ (Markus 9:24).
Uit: Justus Bulaeus, Huys-Postille (Amsterdam 1618), 193-194. – Hertaling: Kees de Wildt